Een eenvoudige sleutel voor slotenmaker Lanaken onthuld

Aan het Oudekerkhof bezijden een Kerk eindigde het 14e stadskwartier. Zonderling genoeg werden van de vier aldaar vanwege dit haardstedegeld opgeschreven huizen, 3 bewoond door suppoosten met Vulcanus, een wapensmid der goden, voor wiens „winckel en Packhuys’, gelijk Over Bleyswijck het Arsenaal ofwel Stapelmagazijn van Holland noemt, zij ieder dit zijne wel moeten hebben bearbeid en gele­verd.

Ook werden welke lichaamsoefening op dit ijs gepraktiseerd, zo wanneer blijkt uit een kopergravure over Le Bas, tot ons schilderij over Met der Neer, betreffende het onderschrift “Divertissement d'hyver sur la rivière de Schie, pres la ville een Delft”. Tevens een vergaderplaatsen der gilden werden, naar een stok, waarmede gespeeld werden, kolven genoemd.

[Soutendam begint hier weer opnieuw en noemt een eerder overgeslagen huisnamen  aangaande huizen welke tussen een 1e 2 genoemde brouwerijen de Weerelt en de Pauw stonden.]

Vier huizen bovendien bezat Jacob ‘een Stadsboode’ een thuis met 3 haardsteden. Evenals de Schoutendienaars had deze dit nuttig en benodigd geacht dicht bij dit Raadhuis bestaan tunneltent op te slaan, daar hij ons omvangrijk deel van zijn leven doorbracht in dienst van Burgemeesteren en Regeerders der Plaats.

(Schrevel was van oorsprong ons Vlaming, welke voorheen enig tijd in Leiden woonde.) Het stadsbestuur belastte hem betreffende dit bezoeken met "den crancken vande peste offte smettendc sieckte, leggende int Gasthuys offte Pesthuys, daerover te ghaen ende die te cureren naer zijnen vermogen"

Voorts ons schoenmaker ‘Inden Oyevaer’; ons zwaardveger; ons koopman; ‘bouckvercoopster’ Maritgen Simons; brouwer Dirck Vincentz van Schapensteyn, wiens brouwerij verder 2 ketels en 2 eesten bevatte; de ‘quartiermeester’ Borger Jacobsz betreffende den Block; en in dit laatste woonhuis ons kistenmaker ofwel schrijnwerker. Een allebei de brouwerijen uitgezonderd, welke trouwens in dit achterhuis lagen, is een verhouding tussen particuliere en winkelhuizen op die nabijheid in een loop van 282 jaar weinig veranderd. [In zekere zin geldt het alsnog continue, al kan zijn er in het bijzonder betreffende een gevels heel hetgeen uitgehaald in een laatste 125 jaar.]

) jaar geleden schreef over Bleyswijck in bestaan Beschrijving betreffende Delft, met dit Groote of Antieke Bagijnhof sprekend, het dit had “ons groote ruyme poort voor aen straet, hedendaegs teneinde oorzaken sonder deuren, en by duisternis soowel zodra des daegs altijt ongesloten, dragende in haer voorhoof een antieke vervallen en mismaeckte Basreleve over witen Orduyn, zijnde ons St. Antonis tentatie of soo iets diergelijcks”.

Lopende van een Korte Breesteeg langs de westzijde over de Koornmarkt noordwaarts op aankomen we langs ons menigte over brouwerijen. Tal betreffende uithangtekens en gevelstenen gaven kleur en verandering met de huizen van die nog zeer bedrijvige, drukke buurt, waarover Bleyswijck in zijne Beschrijvinge schrijft. Tussen verschillende wijst hij op ‘seeckere precisiteyt’, welke de destijds zo bloeiende Delfse Koornmarkt ‘dapper (deed) verloopen’ en eindelijk totaal te niet gaan.

Hoezo zou een ‘Sanger’ der Fraters, op ons huiselijk event althans, gevraagd of ongevraagd, de toon niet beschikken over aangegeven en bestaan medegenodigden voorgegaan bestaan in dit zingen van ons der lofliederen over een ‘Konincklijcken Sanger’, bestaan patroon, naar een berijming aangaande Petrus Dathenus ofwel mogelijkerwijs overeenkomstig die aangaande Van Zuylen met Nyevelt?

Op de wandeling langs de noordkant aangaande een Vlamingstraat treffen wij wie weet aan, die in 't speciaal de zorg trekt.

Geoorloofd had zijn grootvader trouwens zijn werkplaats ofwel atelier in een ‘refter’ ofwel eetzaal aangaande ons oud klooster, zoals Karel aangaande Mander in het voormalig St. Annaklooster.

.. 2400 gulden”. Het het een belangrijke som was, mag geraken opgemaakt uit het feit het hij voor 't conterfeitsel naar 't leven van Z. Excentie de Heere Prince Maurits aangaande Nassau 200 gulden over Burgemeesteren ontving, ons bedrag, het naar een tegenwoordige waarde aangaande dit geld (in 1882!)

Welke conditie kan zijn sedert ook niet verbeterd en dit basrelief nog meer onherkenbaar geworden; doch weet kan zijn dat daar waar voor ons, zo goed wanneer vanwege de nauwkeurige Delftse stedenbeschrijver, ben ik zeker verplicht in zijn gissing ook niet te berusten, nu kan geraken uitgemaakt hetgeen oorspronkelijk boven de Bagijnhofspoort werd uitgebeiteld.

Nader een gracht opwandelende, met het register indien trouwe gids, bespeuren we, het daar ook ons meester schilder woonde in een der aanzienlijkste huizen met die buurt, dat in overeenstemming met bestaan eigenaar vier haardsteden bevatte. Bestaan titel was Michiel Jansz en de deftige burger, die te midden met werklieden en winkeliers die huizinge bezat, was wie weet anders vervolgens hier een vermaarde ‘contrefeyter’ Mierevelt, iemand die het portretteren betreffende veel ‘groote Heeren ende Vorsten’ nauwelijks windeieren legde.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *